
Het bord wordt uitgelegd en de water blokken sluiten het land af. Om de 2 ligt er een water blok met een vraagteken er in of een grondstof. Hier kan je als je er later een dorp of een stad op hebt staan, grondstoffen voor elkaar inruilen. Bijvoorbeeld 2 hout voor 1 schapenwol. Tussen de water blokken liggen precies in een ronden balvorm de landen uitgebreid, maar wel tegen elkaar aan. Het middenpunt is de woestijn en daar doen we het hele spel niks mee. Op de landen worden ondersteboven de nummers gelegd (zodat je ze niet kunt zien). De nummers zijn van 2 tot en met 12 (het bereik van de 2 dobbelstenen). In het midden van het spel staat de struikrover (de regels ervan kan je lezen bij de struikrover). Nu is de opzet klaar en kan het spel beginnen. In het begin krijgt iedereen 2 dorpen en 2 straten. Wie het hoogste gooit mag beginnen. De speler die het hoogste gooit mag als eerste zijn dorpen en straten neer leggen. Hij weet echter nog niet bij welke nummers hij de straten neerlegt. Hij kan wel zien bij welke grondstoffen, dus daar stemt de speler zijn strategie op af. Als iedereen zijn straten en dorpen heeft neergelegd worden de nummers omgedraaid. Nu kunnen de speler zien bij welk nummer hun dorp staat. (de straten zijn alleen verbindingsstukken tussen de dropen, een dorp zorgt voor de connectie met het land!) De speler die als eerste zijn straten mocht neerleggen mag nu ook beginnen met spelen. Hij gooit de 2 dobbelstenen tegelijk over de tafel en kijkt wat voor getal er uitkomt (je telt altijd de 2 dobbelstenen bij elkaar op). Stel er komen 2 drieën op tafel, dan betekend het dus dat de mensen die een dorp/stad hebben geplaatst op een land met daarop het nummer 6, die krijgen nu 1 grondstof. En de soort grondstof hangt af van het soort land. Een dorp staat gelijk aan het krijgen van 1 grondstof en een stad staat gelijk aan het krijgen van 2 grondstoffen. De bedoeling van het spel is dat je zo snel mogelijk 10 overwinningspunten scoort
